zondag 30 september 2007
De ondergrondse reiziger
Om diverse redenen moest ik na mijn verhuizing naar Barcelona nog vaak in Amsterdam zijn. Daardoor bleef Amsterdam-West aanvankelijk mijn thuis, de plek waar ik magnetisch aan Moeder Aarde zat geklonken. Barcelona was een schuilplek waar ik tot rust moest komen alvorens een nieuw leven te kunnen beginnen. Na verloop van maanden kreeg het heilzame mediterrane leefklimaat vat op me en begon mijn zwaartepunt in zuidelijke richting op te schuiven. Zoals dat met aardse fenomenen gaat, was het een even traag als gestaag proces. Er was dus een tijd dat ik nergens thuis was en mijn natuurlijke bestemming nog het dichtst benaderde wanneer ik hoog in de lucht hing aan boord van een airbus, met een lekker moppie gitaarmuziek in mijn oordopjes. Inmiddels ben ik alweer enige tijd veilig geland in Barcelona en is dit de plek waar de wereld om mij heen draait. Overigens is mijn binnenstedelijk middelpunt evenmin constant. Mijn werk brengt me steeds vaker naar de andere kant van de stad. Viermaal per week moet ik in Vilapicina zijn, halte Maragall van lijn 5. Het zwaartepunt van mijn bestaan is een metroritje aan het worden, het best te genieten met in de oordopjes een ontspannen beat die de harteklop van de stad benadert. Ik ga ondergronds.
zaterdag 29 september 2007
Zigeuners
Señor Perfecto heeft een operatie ondergaan. Hij ligt een paar dagen bij te komen op de gesloten afdeling en mag maar twee keer per dag op vaste uren bezoek ontvangen. Beneden in de hal wacht Sra. Perfecto vol ongeduld op dat moment. Om niet alleen te zijn heeft ze haar kinderen bij zich. Haar dochters smeren broodjes en haar zoons en schoonzoons roken een sigaretje onder de overkapping. De kleinkinderen klimmen op het kunstwerk in het grasveld of pulken met hun vinger in het gat in de zitting van de bank die in de hal staat. De twee allerkleinsten krijgen van hun zwangere moeders de borst. ’s Avonds druipen de kleinkinderen en de schoonzoons af. Sra. Perfecto blijft met haar zoons en nog wat getrouwen achter in de hal. Ze maken het zich gemakkelijk op de banken en op de vloer. Vroeg in de ochtend druppelen de overige familieleden weer binnen. Na twee dagen begint het te stinken in de hal. Andere bezoekers mopperen onderling over het asociale zootje. Hardop klagen durven ze niet. Het personeel durft evenmin wat te zeggen. Voor je het weet krijg je de hele familie over je heen. Ten slotte gaat de hoofdzuster van de afdeling naar señor Perfecto toe en brengt hem in zorgvuldig gekozen woorden de kwestie van zijn echtgenote onder de aandacht. Die arme vrouw, probeert de zuster, die is ook de jongste niet meer. Moet zij op haar leeftijd in een stoel slapen! Zou het niet beter zijn als u haar lekker thuis in haar eigen bed liet slapen? Señor Perfecto kijkt de zuster aan of ze niet goed bij haar hoofd is. O nee hoor, zegt hij dan, mijn vrouw is het liefst heel dicht bij mij.
vrijdag 28 september 2007
Groene vingers
We kregen dit voorjaar van het stadsdeel (daar doen ze hier ook aan) een kaartje met de uitnodiging om de stad een beetje groener te maken. Dat was minder lastig dan het op het eerste gezicht misschien leek, aldus de afzender. Gewoon de instructies op de achterzijde volgen. Bij de instructies kwamen een zakje pootaarde, een minuscuul uitvouwbaar plastic bloempotje en een zakje met vijf korrels erin. Een grow your own-kit. Braaf volgde ik de aanwijzingen. Na vier dagen kwamen de eerste twee blaadjes tevoorschijn. De volgende dagen volgden er meer. Vier zaadjes waren uitgekomen. Ik plantte ze over in een stenen potje, een operatie die een van de bloempjes niet overleefde. Ik had er nog drie. Iedere dag gaf ik mijn plantjes volop water en de zon deed de rest. Een steeltje begaf het onder zoveel liefde, maar de andere twee groeiden tot levensvatbare omvang uit. Echt groot zijn ze niet. Dat komt omdat er weinig direct zonlicht op mijn balkon valt en omdat de bergwind bij tijden schraal en koud kan zijn. Mijn plantjes voeren een harde strijd om het bestaan. Bovendien pluk ik genadeloos ieder blad dat zijn zalig prikkelende geur begint te verspreiden. In de sla ermee. Onbespoten is toch lekkerder dan wat je van de markt haalt. Oktober nadert en mijn basilicum krijgt het steeds kouder. Ik vraag me af of ik ze binnen achter glas moet zetten of toch maar aan de natuur prijsgeven. Ik twijfel. Ik durf er niet op te hopen dat we volgend jaar nieuwe zaadjes krijgen.
donderdag 27 september 2007
Tweetalenland
Pilars ouders komen uit Andalucía. Ze is opgegroeid in de voorstad Santa Coloma, waar veel immigranten wonen. Spaans is er de voertaal. Catalaans werd pas haar dagelijkse taal toen ze naar de universiteit ging. Nu spreekt ze Catalaans met haar vriendinnen en Spaans met haar echtgenoot. Amparo praat thuis Spaans en Catalaans. Haar grootouders spreken Spaans, haar oom praat Catalaans met haar. Met haar buurjongen spreekt ze afwisselend Catalaans en Spaans, zoals het beiden uitkomt. Voor Carme is Catalaans de taal van haar ouders, de taal die haar het naast ligt. Ze verdient haar brood met het schrijven van Catalaanse teksten. Toch gaat Spaans, de taal waarin ze leerde lezen, haar nog altijd gemakkelijker af. Bijna niemand schrijft foutloos Catalaans. Van de Spaanstalige immigranten, of ze nu uit Extremadura of Zuid-Amerika komen, spreekt maar een heel klein percentage Catalaans. Velen verstaan het niet eens. Hun kinderen krijgen les in het Catalaans, als ze niet naar een dure Spaanstalige school gaan. Afrikanen spreken vaak beide talen. Engelstaligen hebben een voorkeur voor Catalaans, dat hen beter afgaat dan Spaans. De regionale televisie zendt bijna exclusief in het Catalaans uit. De krant La Vanguardia is Spaanstalig, El Periodico is in beide talen verkrijgbaar. Veel ingezonden brieven in La Vanguardia zijn in het Catalaans gesteld. Pilars man is van huis uit Catalaanstalig, onthult ze. Waarom ze dan Spaans met elkaar spreken? Pilar zegt: Dat is de taal waarin wij elkaar ontmoetten, en zo is het gebleven.
woensdag 26 september 2007
Torre Pisa
Behalve van die ranke circusachtige zuiltjes bouwen de castellers ook stevige torens die een duizelingwekkende hoogte bereiken. Bovenop het onderste fundament wordt een tweede laag van zo’n twintig potige types gezet. Daarop beginnen ze dan transen te bouwen. Iedere trans bestaat uit een kringetje van drie personen die elkaar bij de schouders grijpen. Soms klimmen er wel vier van die lagen op elkaar. Dat klimmen vereist handigheid, want je moet de zaak niet uit balans brengen met een verkeerde beweging. Op de bovenste trans komen meestal twee jongemeiden te staan en daar op het kind, dat meer dan tien meter boven de grond de rol van torenspits vervult. Sinds kort dragen de spitsjes een soort van paardrijcap, want de toren wil ondanks alle goede bedoelingen wel eens scheef zakken en dan stort de boel in. Daarbij zijn al gebroken nekjes en gebarsten schedels te betreuren geweest. Helmen, dus. Of zoals zoonlief van een afstandje opmerkte: groot haar. Die kijkt teveel jaren 80-series op tv. De optredens maken deel uit van een competitie. Ieder dorp of stadswijk in Catalunya heeft zijn eigen castellersvereniging, elk met zijn eigen kleuren. Het is prachtig om te zien met hoeveel acrobatisch gemak die torens worden gebouwd en afgebroken. De castellers nemen hun hobby zeer ernstig. Catalaan zijn is geen sinecure, dat wordt mij elke dag een beetje duidelijker. Ik ben slechts een toeschouwer, een immigrant, en dat wou ik voorlopig blijven.
dinsdag 25 september 2007
Balkonscène
Op de dag van la Mercè , de genadige, viert Barcelona haar verjaardag. Rond het middaguur stroomt het stadhuisplein vol gezinnen en andere belangstellenden. De zon schijnt uitbundig. Het is misschien de laatste warme dag van het jaar. Daar betreden de gegants het terrein. Koning Jaume I, die met de verovering van Mallorca de zeehandel voor Barcelona openlegde, loopt met zijn echtgenote voorop. De gegants zijn zes meter hoge poppen die door een onder hun lange gewaden verborgen drager worden voortbewogen. Ze worden begeleid door enkele historisch belangrijke dieren, waaronder een os, een ezel en uiteraard een draak. Na een dansje met zijn gemalin, gaan Jaume en gevolg het stadhuis binnen. Nu komen de castellers naar voren. De castellers bouwen menselijke torens. Dit jaar is de wijkvereniging Sants uitverkoren om het balkon van het stadhuis te beklimmen. Eerst wordt een fundament gelegd van zeker vijftig personen die dicht tegen elkaar staan. Op de omhoog gestoken handen van het fundament gaat een bijzonder stevig gebouwde kerel zitten. Op zijn schouders komt een man van gemiddeld formaat te staan, daarop een jonge meid en daar weer op een kind. Het kind heeft geleerd niet bang te zijn en strak voor zich uit te kijken. Inmiddels zijn twee kompanen binnendoor naar het balkon gegaan. Ze laten een zwart koord zakken. Het kind grijpt het koord met beide handen vast en hup, daar vliegt het ’t laatste eindje door de lucht, over de rand van het balkon. De menigte joelt en applaudisseert. Vervolgens onderneemt het meisje onder haar dezelfde reis. Je moet in die paar seconden niet loslaten, natuurlijk. Opnieuw kabaal. Het stadhuis is succesvol ingenomen, of wat het maar voorstelt (morgen verder).
maandag 24 september 2007
Lopend vuurtje
Het is feest in de stad. En bij feest hoort een correfoc, zeg maar een lopend vuur. Verkleed als duivels en begeleid door monotoon tromgeroffel sproeien de deelnemers sterretjesvuur in het rond. Ze hebben een stok bij zich met daaraan buisjes waarin het vuurwerk is gestopt. De opperduivels dragen staketsels waaraan wel tien vuurspuwende monden zijn gehangen. De buizen zitten op wieltjes, zodat ze door de kracht van het sproeiende vuur in het rond beginnen te draaien, wat de feestvreugde verder verhoogd. Het vuurwerk eindigt meestal in een daverende knal. Een beetje correfoc brengt gauw twintig duivels op de been. Dolenthousiast storten de foccers zich in het publiek, al spuitend en knallend en in het rond springend. Daarbij wordt de toeschouwers letterlijk het vuur aan de schenen gelegd. Het is een wonder dat er geen ongelukken gebeuren. Al gauw hangt er een dikke kruitdeken in de straat. Steeds als de storm lijkt te luwen, begint het festijn, opgestookt door de trommelaars, opnieuw. Soms is er een heuse vuurspuwer bij om het publiek wat warmte toe te blazen. En helemaal mooi is het wanneeer er een vreugdevuur wordt aangelegd waar dan de jeugd doorheen mag springen. Het doet denken aan een middeleeuws gebruik dat in de loop der tijden weinig vernieuwing heeft ondergaan, maar toch schijnt de correfoc pas dertig jaar te bestaan. Iedere wijk heeft zijn eigen vereniging. Op het feest van Mercè, dat dit weekend wordt gevierd, komen ze samen op het plein voor de kathedraal. Fijn met zijn allen de duivel uitdrijven.
Abonneren op:
Posts (Atom)